donderdag 29 september 2016

Klein mysterie 719 – ’t Bakenshof

‘Het appartementencomplex dat op de plek van het huidige verzorgingshuis Berkele Heem in Horst komt, krijgt de naam ’t Bakenshof. De naam verwijst onder meer naar de familie Bakens, de laatste eigenaar van de molen die hier tot het midden van de Tweede Wereldoorlog stond. Uit de ongeveer vijftig suggesties koos Wonen Limburg samen met de klankbordgroep van Hof te Berkel voor ’t Bakenshof. De naam werd verzonnen door Piet Peeters uit Horst. “Deze historische naam sluit mooi aan bij het gebied”, licht Marleen van Ulft, senior gebiedsontwikkelaar, toe. “De officiële naam van de molen was Op de Laak, maar hij stond ook wel bekend als de Bakensmolen. Daarnaast verwijst dit ook naar een baken, een plek voor mensen om te wonen.”’
Aldus berichtte Hallo Horst aan de Maas gisteren op de website (klik hier) en vandaag in de papieren uitgave. Laten we eerst en vooral ontzettend blij en dankbaar zijn dat het geen staete, state, huys, veste of nog gruwelijker onzin is geworden. Toch zijn er bij ’t Bakenshof wel vraagtekens te zetten. Drie, wat mij betreft:
1. Waarom ’t Bakenshof? ‘De’ klinkt mij veel logischer in de oren. Of zit het feit dat ik dialectspreker ben me hier in de weg? Overigens lijkt weglating van het lidwoord me nóg logischer: Bakenshof.

2. Sinds wanneer is een baken ‘een plek voor mensen om te wonen’? Volgens mijn editie van Van Dale is een baken ‘elk vast merk (ton, paal) dat het vaarwater markeert’. Ik weet wel, ‘baken’ heeft ook een figuurlijke betekenis, maar dan zou simpelweg Het Baken als naam aanzienlijk krachtiger zijn geweest. Nu lijkt het hinken op twee gedachten – misschien is dat ’t in plaats van de daar ook wel een uiting van.

3. Vanwaar de suggestie dat de Bakensmolen op de plaats van het appartementencomplex stond? Naar mijn beste weten stond de Bakensmolen – een stellingmolen – omstreeks honderd meter verderop richting Sevenum. Het molenhuis was het pand dat nu de adressen Gasthuisstraat 39 en 41 herbergt. Een – in gewijzigde vorm – nog altijd aanwezige inrijpoort verschafte toegang tot de molen. Het jaartal 1892 in de sluitsteen boven de poort verwijst naar het bouwjaar van het gebouwencomplex.
Als de naam van het appartementencomplex dan toch gekoppeld diende te worden aan een historisch gebouw, had iets in de trant van De Textielfabriek of Ruttenhof dan niet eerder voor de hand gelegen? Naast het huidige café De Beurs – en dus dichterbij Berkele Heem dan de Bakensmolen – lag immers (ik vermoed tot in de jaren zeventig) de textielfabriek van de gebroeders Rutten. (Onderstaande foto is genomen vanuit de Sint-Lambertuskerk. Links op de achtergrond het huidige Gasthoês, daarachter een schoorsteen van de textielfabriek en daar weer achter de Bakensmolen.)
Enfin, typisch gevalletje what’s in a name.

Ingezonden – That’s happening (3) / Intensieve veehouderij

Onder het kopje That’s happening lucht Andries Brantsma regelmatig zijn hart op Horst-sweet-Horst. Vandaag over een bijeenkomst over de intensieve veehouderij:
That’s happening

Intensieve veehouderij

PSSST … We gaan over de intensieve veehouderij praten … niet verder vertellen hoor ... Psst

Met het adagium, ‘over maar vooral wel zonder u’ wordt er in de commissie Ruimte op woensdagavond 5 oktober een aantal voordrachten gegeven over de gezondheidsrisico’s en ontwikkelingen in de intensieve veehouderij. De presentatoren zijn voor zover bekend en te verwachten allemaal nogal voorstander van deze intensieve veehouderij (zie agenda). Je zou kunnen verwachten dat het presidium voor deze onevenwichtigheid oog zou hebben en dus ook de verschillende bewonersgroepen (Klevar, Behoud De Parel en Behoud Woonomgeving De Paes) uitgenodigd zou willen hebben om balans te krijgen in de informatievoorziening.
Neen dus, met een wethouder die zich voor de provincie moet profileren als ‘IV door de strot duwer’, een burgemeester die in zijn handelen niet voor democratie kiest, maar voor zijn politieke partij en de ouderwetse methode ‘wat niet weet wat niet deert’, is er geen behoefte aan echt volledige en evenwichtige informatievoorziening.

Andersdenkenden moet je mijden, dat kost maar tijd en ergernis en waarom zou je luisteren als je toch alles, gesteund door de coalitie, kunt vergunnen of legaliseren, hoe lang het ook al mis is of stinkt.
Dat we onze agrarische wereld steunen en kansen geven is zonder meer toe te juichen. Van oudsher van belang en een belangrijke factor in onze gemeente met veel energie die kansen moet kunnen pakken. Dat moet wel op een gebalanceerde manier met de juiste voorwaarden waarbij zoveel mogelijk kennis wordt gebruikt en tot gebalanceerde besluitvorming wordt gekomen. Dan kunnen boer en omgeving in balans met elkaar leven. Een gebalanceerde manier met open ogen voor de omgeving is dan de oplossing.
Ook onze boeren kijken al veel breder dan het college en het presidium, onze boeren weten dat de oogkleppen voor het paard bedoeld zijn en niet om ze zelf te dragen. Je zou wensen dat  ook de coalitie dat zou inzien en een proces van het begin af op een evenwichtige manier zou aanvliegen.

Andries Brantsma

maandag 26 september 2016

Intermezzo – Schrijfwedstrijd (7) – Het is weer zo’ndag

De komende weken op Horst-sweet-Horst de inzendingen voor de Horst-sweet-Horst-schrijfwedstrijd. Vandaag het door Jorn Kessels geschreven verhaal (kijk voor andere verhalen en meer informatie over de schrijfwedstrijd in de balk rechts naast dit verhaal onder het kopje ‘Schrijfwedstrijd’):
Het is weer zo’ndag

De jaarlijkse fietstocht van de KBO stond bijna op het punt van beginnen. In alle vroegte zijn Teng en Stiena van huis vertrokken. Zoals ieder getrouwd stel op leeftijd hadden ook zij dezelfde elektrische fiets in dames en heren uitvoering met bijbehorende matchende windjacks. In de fietstassen van Stiena zaten vers gesmeerde witte puntjes, twee flesjes kraanwater, sinaasappels en een thermoskannetje koffie. Teng had de dag van te voren nog de accu’s opgeladen, de kettingen gesmeerd en de banden van precies voldoende lucht voorzien. Tevens had hij het bandenreparatiesetje gecontroleerd. Na het ontbijt en het kopje koffie, werd op teletekst nog even het weer gecontroleerd en hup, daar gingen ze.

Eenmaal aangekomen op de startlocatie bleek dat Teng de verkeerde schoenen aan had. In plaats van de fietsschoenen had hij per ongeluk zijn zondagse schoenen aan. Dit liet Stiena niet ongemerkt en een geplaatste sneer volgde in het bijzijn van zijn vrienden van de kaartclub. Daarop volgde een instemmend geknik en gehum van de aanwezige dames van de wekelijkse creaclub. Er werd nog wat gesproken over koetjes en kalfjes, maar daarna was het tijd om de tweewielige rossen te bestijgen. Het is een fietstocht door de Peel van tachtig kilometer met om de twintig kilometer een pauze voor een welverdiende versnapering. Aan het eind van de tocht is er nog de kans om in het centrum van Horst een hapje te eten bij Kwalitaria ’t Hukske.

De fietstocht verloopt voorspoedig en dankzij het goede voorbereidende werk van Teng zijn er onderweg, op wat sneren van Stiena over de schoenkeuze na, geen ongemakken. Voldaan komt men aan in het centrum van Horst en parkeert men de fietsen bij het gemeentehuis. In de Kwalitaria wordt genoten van een schnitzel menu, een gedeeld blikje cola light en een klein softijs na. Dat het zondag is betekent niet dat Teng meteen zelf een blikje cola light mag nuttigen. 

Vervolgens wordt er bij Grand Café Liesbeth nog een kopje koffie met een neutje gedronken. De cola was Teng naar de blaas geschoten en hij zocht het toilet op. Op de terugweg kwam hij nog een oud collega van Henraath tegen waardoor hij wat afgeleid was. In een vlaag van verstandverbijstering ging hij pardoes op de schoot van een jonge aantrekkelijke blonde dame zitten. Dit tot groot vermaak van het gehele terras en tot groot ongenoegen van Stiena. Als blikken konden doden zaten er geen erwtjes in. Oftewel het was tijd om naar huis te gaan. Met z’n staart tussen de benen liep Teng zwijgend achter Stiena aan naar de fietsen. De eerste minuten op de fiets was het muisstil, totdat Stiena zei: ‘Ge got toch ni zoëmá óppe slup ván en vremde vrouw zitte?’ Teng wist het, het is weer zo’ndag.

Jorn Kessels

Ingezonden – That’s happening (2) / Glasvezel

De gemeenteraad sprak afgelopen week over de aanleg van glasvezel in het buitengebied van Horst aan de Maas. In een ingezonden bijdrage doet Andries Brantsma uit de doeken welke politieke partijen het meeste eer toekomt als het gaat om de glasvezelaanleg in het buitengebied:
That’s happening

Ere wie ere toekomt

In de laatste raadsvergadering van 20 september zagen we een interessant stukje politiek. In het verleden is door een grote coalitiepartij aandacht gevraagd voor het aanleggen van glasvezel voor snel internet in het buitengebied. Een werkgroep is met voorstellen gekomen. Door de raad is vervolgens een bedrag van bijna 40.000 euro ter beschikking gesteld voor het verder uitwerken van deze plannen en nagaan of er voldoende interesse zou zijn. Door deze werkgroep is vervolgens heel veel en goed werk verricht om zoveel mogelijk informatie te verkrijgen en tot een plan te komen.
Al dit goede werk is vervolgens door het college uitgewerkt in een voorstel aan de raad. De grote coalitiepartij wilde dit (uiteraard) zonder kritiek aanvaarden. Echter, het voorstel van het college was niet zorgvuldig uitgewerkt, er waren twijfels over de juridische juistheid van het voorstel en of de financiële aanpak niet te grote risico’s zou inhouden.
In de raad leek het alsof de grote coalitiepartij een amendement had uitgewerkt en daarmee dus een belangrijke rol had gespeeld in de verdere voortgang. Kennelijk is dat politiek, maar toch is het van belang dat ere toekomt aan diegenen die hier het diepgaande werk hebben gedaan, in dit geval vooral Essentie en de SP, in iets mindere mate voor de PvdA en gesteund door D66. De grote coalitiepartij voorkwam dat ze alleen zou staan en ging dus ook maar mee. Handig woordenspel van deze grote coalitiepartij kon dus zorgen voor een verkeerd beeld van de werkelijkheid.
Dus ere wie ere toekomt en in dit geval dus voor Essentie en de SP die er met het amendement dat uiteindelijk raadsbreed is ondersteund, voor hebben gezorgd dat het project glasvezel in het buitengebied voortgang kan blijven vinden en verder kan worden uitgewerkt, met een extra door de raad beschikbaar gesteld budget.

Andries Brantsma

woensdag 21 september 2016

Intermezzo – Schrijfwedstrijd (6) / Reacties

Hoe reageerden de deelnemers eigenlijk op de uitslag van de Horst-sweet-Horst-schrijfwedstrijd? Meteen nadat de jury gisteravond zijn oordeel had geveld (klik hier en hier) heb ik de deelnemers ingelicht over de uitslag. Winnaar Geert van den Munckhof toonde zich verguld: ‘Mijn eerste literaire prijs... en niet de eerste de beste... Ik ben er een beetje stil van.’
De niet-winnaars legden zich neer bij de feiten (‘De jury beslist. Daar is de jury voor’) of hadden toch al geen hoge verwachtingen (‘Ik begrijp het wel hoor. Ik had wél gehoopt maar niet verwacht deze bijzondere wedstrijd te winnen.’). Voor één deelnemer waren de druiven blijkbaar zuur:
Geachte Heer Moorman,
U begrijpt dat na al die geïnvesteerde uren dit resultaat voor mij onnavolgbaar moeilijk is te accepteren. Toch zal ik dat moeten. U stelt de regels, u hebt de jury samengesteld en de verantwoordelijkheid ligt dus ook volledig bij u en niet bij de jury die deze fout heeft gemaakt die gemaakt is, ook al ken ik dan de andere verhalen nog niet. Het is slechts omdat ik een volgzaam mens ben en goed kan accepteren dat er ook andere meningen zijn die een zekere waarde hebben, dat ik me bij deze uitslag neerleg. De winnaar wil ik langs deze weg feliciteren met het feit dat hij/zij op het podium staat. Beter ware geweest dat de drie schrijvers daar samen hadden uitgemaakt wie op welke trede had moeten staan.
Het adagium van de wedstrijd – ‘Winnen is leuk – meedoen nog leuker’ – was aan deze inzender duidelijk niet besteed. Maar zeg nou zelf: wat is een literaire prijs zonder relletje? 

Intermezzo – Schrijfwedstrijd (5) / Lucia

Een deskundige jury heeft het verhaal getiteld Lucia, geschreven door Geert van den Munckhof, uitgeroepen tot winnaar van de Horst-sweet-Horst-schrijfwedstrijd. Klik hier voor een korte evaluatie van de wedstrijd en klik hier voor het juryrapport. Dit is het winnende verhaal:
Lucia

Hoe kwam hij daar toch steeds op? Meestal kon ze zijn vragen wel terugvoeren naar een of andere min of meer recente gebeurtenis. Vaak niet direct, maar toch. Ze was het afgelopen jaar een ware meester geworden in het herkennen van de oorsprong van zijn vragen. Maar goed ook, want niet antwoorden viel niet in goede aarde. Wat heet. Heftige irritatie was steevast het gevolg en dat diende ze te vermijden had men haar in het ziekenhuis geadviseerd.

De vraag leek ook steeds frequenter terug te komen. Wat had ze de vorige keer ook alweer geantwoord? Koortsachtig pijnigde ze haar geheugen. Zonder succes. Voor de tweede keer zette ze haar escape in. ‘Waat zegde, Jan?’ Het gaf haar vaak net genoeg tijd om hem af te leiden om vervolgens met een nietszeggend, maar tevredenstellend antwoord te komen. Deze keer lukte dat niet. Voor de derde keer vroeg hij het haar, nu met enige stemverheffing. ‘Ge got toch ni zoëmá óppe slup ván en vremde vrouw zitte?’

Men had hem bewusteloos gevonden op het terras. Wat er precies gebeurd was, was tot op de dag van vandaag onduidelijk. Twee weken had hij in coma gelegen. Toen hij daar uit ontwaakte, leek er in eerste instantie niets aan de hand. Maar toen hij keer op keer dezelfde vragen bleef stellen, was er toch uitgebreider onderzoek gedaan. Doktoren stonden echter voor een raadsel. Deze spontane mix van sensorische afasie en Gilles de la Tourette waren ze nooit eerder tegengekomen.

Zelf kon hij niet vertellen wat er toen gebeurd was. Op den duur bleek het ook niet meer bespreekbaar. Ze merkte dat hij haar vragen daarover ontweek. Lichamelijk knapte hij verder goed op, maar de vreemde symptomen bleven. Ge got toch ni zoëmá óppe slup ván en vremde vrouw zitte. Wat zou ze daar nu op zeggen? In haar hoofd scande ze een aantal mogelijkheden. ‘Maar joawaal, daat môg grös’; ‘Och waat, daat doon dur zoaveul.’ Maar ze twijfelde.

‘Tòch?’, bulderde hij nu, ‘Ge got toch ni zoëmá óppe slup ván en vremde vrouw zitte?’ ‘Och waat, daat doon dur zoaveul.’ Het was er uit voor ze er erg in had. Ze schrok. Want meteen sloeg het gesprek dood. Jan zweeg abrupt. Secondenlang. Minuten. Stil. Geladen stil. Ze concentreerde zich op het geluid van de fietsbanden. In bange afwachting van wat er nu ging komen. Ze keek vanuit een ooghoek naar hem en zag de poster in de abri die ze voorbij fietsten. Lucia Rijker. Het was Jan die opeens de stilte doorbrak. ‘Ik duj ut evvel ni mier.’

Geert van den Munckhof

Intermezzo – Schrijfwedstrijd (4) / Juryrapport

De jury van de Horst-sweet-Horst-schrijfwedstrijd riep gisteravond Geert van den Munckhof uit tot winnaar (klik hier en hier). Zonder dat Horst-sweet-Horst er om hoefde te vragen, bracht de jury rapport uit. Dit is het:

Juryrapport Eerste HSH-verhalen wedstrijd

De juryleden zijn op dinsdag 20 september 2016 op een geheime locatie bij elkaar gekomen om de winnaar te bepalen van de wedstrijd met de uitdagende opdracht: verwerk de zin Ge got toch ni zoëmá óppe slup ván en vremde vrouw zitte? in een verhaal. Deze eervolle taak hebben wij naar eer en geweten vervuld.
De jury was positief verrast door het aantal en door de hoge kwaliteit van de inzendingen. Met veel plezier hebben wij de verhalen gelezen en het beeldverhaal bekeken. Toch begonnen we enigszins onwennig (niemand van de juryleden heeft veel ervaring in het jureren) aan onze taak. We hebben ervoor gekozen om iedere bijdrage uitvoerig te bespreken. Daarbij werd aandacht besteed aan de onderdelen originaliteit, humor, een goede opbouw, spanning, beeld en verbeelding. Na de bespreking bepaalde ieder jurylid zijn persoonlijke top drie. Over de uiteindelijke winnaar hoefde niet lang gediscussieerd te worden. (Dit tot grote teleurstelling van toehoorder Wim.)
De winnaar is er namelijk in geslaagd in zijn verhaal beelden op te roepen die je zo voor je ziet. Ook het gebruik van meer dan de verplichte woorden in het dialect kon de jury bekoren. De spanning wordt knap opgebouwd, de stilte van Jan is voelbaar. De lezer vraagt zich af: wat is er gebeurd? Een tipje van die sluier wordt opgelicht, maar er blijft voldoende voor de persoonlijke verbeelding over. Na het lezen van het verhaal zal niemand meer zoëmá óppe slup ván en vremde vrouw goan zitte.
De jury heeft met plezier de verhalen gelezen en besproken. Ze adviseert de organisatie dan ook om van de verhalenwedstrijd een jaarlijks terugkerend event te maken.
Tot slot willen wij natuurlijk de winnaar van harte feliciteren en we hopen hem en de andere deelnemers te mogen ontmoeten bij de prijsuitreiking.

De jury

Annette Cox
Ankie Gooren-Vermeeren
Ruud Willems

Intermezzo – Schrijfwedstrijd (3) / Evaluatie

Op zondagavond 7 augustus hoorde ik een voorbij fietsende man van een jaar of zeventig tegen (vermoedelijk) z’n echtgenote zeggen: ‘Ge got toch ni zoëmá óppe slup ván en vremde vrouw zitte?’ Intrigerende vraag. Hoogst intrigerende vraag. Zo intrigerend zelfs dat ik besloot er een schrijfwedstrijd aan te koppelen. Voorwaarden: maximaal vijfhonderd woorden en ergens in het verhaal moest ‘Ge got toch ni zoëmá óppe slup ván en vremde vrouw zitte?’ opduiken.
Mijn verwachtingen waren laag, schreef ik op 22 augustus (klik hier): ‘Ik denk de lezers van Horst-sweet-Horst een beetje te kennen. Horst-sweet-Horst-lezers zijn lezers, geen schrijvers. Alle kans dus dat er geen enkele inzending binnenkomt.’ Maar het ongelooflijke gebeurde: zeven inzendingen. Zeven! Vijf van een man, twee van een vrouw. Vijf onder eigen naam, twee onder pseudoniem. Zes verhalen, één beeldverhaal. Over opschoten, over Wodan, Oleg en de Presitent, over Jan, over Bert en Nellie, over Teng en Stiena, over Sjeng en Lieve. Stuk voor stuk heb ik ze met heel veel plezier gelezen/bekeken. Stuk voor stuk verrassend. En dat zeg ik heus niet omdat ik, als uitschrijver van de wedstrijd, word geacht dit te zeggen.
Die zeven inzendingen zadelden me wel op met de taak een jury samen te stellen. Een fluitje van een cent: Annette Cox (docent Nederlands aan het Dendron College), Ankie Gooren-Vermeeren (babycoach en maatschappelijk werker) en Ruud Willems (een van de initiatiefnemers van de Horster Kwis én in 2014 winnaar van de Horst-sweet-Horst-prijsvraag over figuren in de Horster bestrating) zegden meteen toe.
Tot mijn groot genoegen bleken de juryleden bereid mij als toehoorder bij hun beraad te tolereren. Gisteravond was het zover. Ik had gehoopt op heftige discussies, hoogoplopende emoties, slaande deuren en wat dies meer zij, maar dat viel vies tegen. Eenstemmigheid in plaats van tweespalt. De dames en heer waren er binnen de kortste keren uit: het verhaal getiteld Lucia stak naar hun mening boven de zes andere inzendingen uit. Aan mij vervolgens de eer aan de juryleden, en nu ook aan de Horst-sweet-Horst-lezers, de naam van de auteur te openbaren. Die naam is … Geert van den Munckhof!
Het verhaal van Geert leest u hier; het juryrapport leest u hier. De andere inzendingen zal ik de komende weken successievelijk op Horst-sweet-Horst publiceren.
Bij dezen wil ik Geert graag feliciteren. De overige inzenders dank ik bijzonder hartelijk voor hun inzendingen en de juryleden voor het jureren. Ik hoop hen allen te mogen begroeten bij de prijsuitreiking. En over het advies van de jury (‘van de verhalenwedstrijd een jaarlijks terugkerend event maken’) ga ik me de komende tijd beraden.

N.B. In de balk rechts van deze tekst staat onder het kopje ‘Schrijfwedstrijd’ alles verzameld dat op de Horst-sweet-Horst-schrijfwedstrijd betrekking heeft.

dinsdag 20 september 2016

Intermezzo – Kermis

Gapende leegten, toen ik zondagmorgen over het Horster kermisterrein liep. ‘Zou dit soms de kermis met de minste attracties en kraampjes ooit zijn?’, vroeg ik me af. Néé, in elk geval in september 1915 was het erger, zo maakte een minionderzoekje na thuiskomst me duidelijk.
September 1915, ruim een jaar na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, op 28 juli 1914. Hoewel Nederland vier jaar lang neutraal bleef, had de oorlog wel degelijk invloed op het dagelijks leven. Ook de Horster kermis had er danig onder te lijden. De septemberkermis van 1914, de eerste na het begin van de oorlog, werd door het gemeentebestuur zelfs in z’n geheel afgelast.
Een jaar later ging de kermis wel door, maar een groot feest lijkt het niet te zijn geworden, als we de Nieuwe Venlosche Courant van 25 september 1915 moeten geloven. Net als eerder bij de meikermis diende het huidige Wilhelminaplein ook bij de septemberkermis leeg te blijven. ‘Voor de kinderen was het een groote teleurstelling, dat de militaire autoriteiten geen kramerij of karoussel op den markt gedoogden’, aldus de krant. Viel er dan helemaal niets te beleven? Toch wel: 
‘Onze kramers hebben de verordening weten te verijdelen door hunne kramen in schuur of bergplaats zoo op te bouwen, dat bij het openen der schuurdeuren de geopende kraam tevoorschijn kwam.’
Desondanks moet het een magere bedoening zijn geweest. Tot ongenoegen van de krant: ‘Voor vele middenstanders vormt de kermis een belangrijk deel van ’t jaarlijks inkomen; bovendien geven zelfs de potters dan royaler uit, hetgeen ontegenzeggelijk aan de algemeene welvaart ten goede komt.’ Als de overheid dan toch zo nodig de zedenmeester wenste uit te hangen, waarom dan niet ‘de talrijke feesten en vermakelijkheden door ’t jaar’ beteugelen? Die vormden immers een veel grotere bedreiging voor de zondagsrust en de zondagsheiliging dan de kermissen, al moest de krant erkennen dat het ook op de kermissen wel eens mis ging: 
‘Zij hebben wel eens tot ongeregeldheden aanleiding gegeven, doch welk ander feest deed dit niet? (In de Hollandsche steden niet het minst.) Daarom worden die maatregelen zoo afgekeurd, maar ook omdat ze met de Limburgsche toestanden onvoldoende rekening houden en verbeteringen moeten beduiden doch het in werkelijkheid niet zijn.’
Het bekende Limburgse liedje: het is allemaal de schuld van de Hollanders. En dan zijn er toch nog steeds mensen die durven te beweren dat Maarten van Rossem (‘Limburgers leiden massaal aan een minderwaardigheidscomplex’) géén gelijk heeft.

Ingezonden – That’s happening (1) / Urilift

Weer een ingezonden bijdrage van Andries Brantsma. Hij borduurt voort op het stukje van gisteren (klik hier) over het al dan niet plaatsen van een permanente openbare verzinkbare urilift (ook wel plaskruis, urinoir dan wel zeikton geheten) in het centrum van Horst:

That’s happening

Urilift

Of de Urilift noodzakelijk is, blijft een grote vraag. En zijn deze ook voor de dames? In de commissie Samenleving gaf de burgemeester aan dat sommige mensen hun gedrag toch niet aanplassen. Voor deze mensen helpen ook dure extra voorzieningen niet. Feit is wel dat wat eruit moet, er eerst ook in moet. Ik ga ervan uit dat je niet bij je gezonde verstand gaat staan wildplassen, zo onfatsoenlijk zijn de meeste nuchtere (of er moet heel hoge nood en geen andere mogelijkheid zijn) mensen niet. Dan is het in eerste instantie ook beter om eerst aan de voorkant te kijken wat je kunt doen en dat is toezicht op overmatig alcoholgebruik, zowel op jonge leeftijd, maar ook volwassenen. In beide heeft de horecahouder een rol, hij mag niet aan onvolwassenen schenken en evenmin aan beschonken personen. Daarnaast moet de horecahouder zorgen dat hij voldoende toiletcapaciteit heeft en dat er niet meer mensen binnenkomen dan past bij die toiletcapaciteiten. Is dat niet zo dan is hij mede de oorzaak van onfatsoenlijk gedrag. Ook daar kunnen collega’s elkaar op aanspreken. Bij de één lijkt het probleem groter dan bij de ander.
Dat het betrappen van wildplassers moeilijk is, geldt denk ik alleen voor het Horster handhaving model. Hoofdzakelijk reactief, namelijk na klachten. En dan wordt het een probleem, want nadat het mailtje verstuurd is of het telefoontje gepleegd zal de blaas wel leeg zijn en de broek gesloten.
Toch zou ook hier wat meer preventief toezicht kunnen helpen. Waar op te letten?
  • De verdachten staan meestal met de rug naar u toe.
  • Voor de verdachten staat veelal een muur of boom.
  • Als je de persoon als vast punt ziet, zwaait de boom meestal wat heen en weer.
  • Er is vaak sprake van klaterend geluid en daar kan dan de te installeren geluidsmeting mooi bij helpen.
Als er structureel een probleem is dan hebben de schenkgelegenheden een tekort aan capaciteit. Ook wat deze voorzieningen betreft zou de Horster maat moeten gelden en niet het Horster gedrag dat bij een aantal inwoners toch zal blijven wat het is. Voor dit laatste geldt dat de burgervader zijn gezag moet laten gelden en niet deze fouten moet afkopen met gemeenschapsgeld. En de beste urilift is de lift die de uri mee naar huis neemt. Daar is genoeg capaciteit.

Andries Brantsma

maandag 19 september 2016

Klein mysterie 718 – Urilift (3)

Zo her en der worden ze weggezet als zeikerds, de bewoners van appartementencomplex De Smidse die klagen over allerlei vormen van overlast in het centrum van Horst. Zit iets in. Toch zou hun gezeik zomaar kunnen leiden tot de plaatsing van permanente urinoirs in het Horster centrum. Mocht het zover komen, dan wordt historie geschreven: naar mijn beste weten sprak de gemeenteraad in 1913 voor het eerst over plaatsing van urinoirs in het dorpscentrum. In 2016 doet de raad dat nog steeds – al 103 jaar wordt de plas opgehouden, ongetwijfeld een wereldrecord.
Aan de bron van alles staat Alfons Esser. De burgemeester stelde in de gemeenteraadsvergadering van 19 december 1913 voor op beide pleinen in het centrum van Horst (vandaag de dag Wilhelminaplein en Sint-Lambertusplein geheten) een ijzeren urinoir te plaatsen. De raad wenste eerst een prijsopgave te zien: raadslid Haegens schatte de kosten op vier- à vijfhonderd gulden – geen kattenpis (inkoppertje) in die tijd. Esser deed links en rechts navraag en moest in de raadsvergadering van 29 mei 1914 erkennen dat de kosten aanzienlijk waren: 250 gulden per urinoir. Daarom wilde hij het voorlopig bij één exemplaar op het Wilhelminaplein laten. Maar een deel van de raad zag het urinoir liever op de Veemarkt komen. De oplossing: ‘Eerst eens nader informeeren.’
Met dat ‘eerst eens nader informeeren’ werd het urinoir op de lange baan geschoven. Om daar pas een kleine eeuw later, in december 2011, weer vanaf te komen. Ineens werd in het Integraal veiligheidsplan 2012-2015 een urilift, een mooi woord voor een verzinkbare zeikton, tot prioriteit bestempeld. Ditmaal was er niemand die maalde om de kosten, terwijl die met 55 duizend euro toch – als ik goed reken – omstreeks 500 keer hoger waren dan in 1914. Wat ook fijn was: burgemeester Kees van Rooij verzekerde de gemeenteraad (klik hier en ga naar agendapunt 18) dat de urilift ‘nu eens een keer niet op de lange baan wordt geschoven’.
Ware woorden van de burgemeester. Nog geen vijf jaar later, op 6 september 2016, liet hij de gemeentelijke commissie Samenleving in reactie op de klachten van de bewoners van De Smidse weten (klik hier en ga naar agendapunt 1): ‘We zijn met het Centrummanagement en anderen in overleg over permanente, verzinkbare plaskruisen.’ Een verwijzing naar de lange baan bleef ditmaal achterwege, wat er misschien wel op zou kunnen duiden dat het wonder dan toch binnen een jaar of twintig gaat geschieden.

P.S. Wáág het niet om op dit stukje te reageren met iets in de trant van ‘Wat een gezeik’!

maandag 12 september 2016

Intermezzo – De fluiter

1. Klik op de pijl om het filmpje te starten:


2.
‘Fluiten is een ondergewaardeerd fenomeen. Het heeft iets lulligs. Iets irritants ook. Op straat en op de werkplaats klinken veel valse noten. Maar ik snap de geestelijke nood van de fluiter. Sinds ik het op mijn 6e leerde, heeft het me nooit meer verlaten. Er welt een melodie in je op, die moet eruit. De lippen getuit vorm je je eigen uitlaatklep, een ontsnappingsroute voor elke dag.’ 
Jean-Pierre Geelen, De Volkskrant 23 augustus 2016

3. Buurman heeft werkvolk over de vloer. Onder wie een fluiter. Geen pauzemomentenfluiter maar een continufluiter. Zelden iemand zo slecht horen fluiten. Ekstergeschetter is melodieuzer dan dit. Dit is het lullige fluiten van Jean-Pierre ver voorbij. Zelfs het irritante fluiten. Dit is aandoenlijk fluiten, meelijwekkend fluiten.
4. Jean-Pierre Geelen bracht zijn ode aan het fluiten in een op 23 augustus gepubliceerde column waarin hij Toots Tielemans herdacht. Diezelfde dag (her)publiceerde Geert van den Munckhof een gedicht waarin hij oer-Horstenaar Mart Wismans (1922-2013) weer tot leven wekt. Het is getiteld ‘De loëp vaan Màrtje’. Léés ’t (klik hier)! Eén strofe:

Heej leep doar, dôr de stroat,
zoë aas heej aalliën ma kôs.
Zo’n bitje tusse zuutjes á
en stevig door.
De hand miëst ôp de rug, ma
aaltied kloar um d’r iën ôp te staeke,
aas ut durrum woar begôs…

Wie Mart heeft gekend, moet het beeld dat Geert hier oproept onmiddellijk herkennen. Toch: hoe prachtig, hoe treffend ook, er ontbreekt iets: zijn fluiten. Mart was een fluiter. Een uit-innerlijke-noodzaak-fluiter, dunkt me. Net als Jean-Pierre. Net als werkman bij buurman.


5. De uit-innerlijke-noodzaak-fluiter – zelfs werkman bij buurman – staat op een hoger plan dan de ik-doe-net-alsof-er-niets-aan-de-hand-is-fluiter (hoogst irritant), de hoor-mij-eens-goed-kunnen-fluiten-fluiter (irritant), de uit-angst-voor-een-stilte-fluiter (irritant), de ik-zal-dat-deuntje-wel-eens-een-beetje-oppimpen-fluiter (hoogst irritant), de theatraal-uit-volle-borst-fluiter (irritant). Om nog maar te zwijgen van de ik-sta-op-een-steiger-en-word-dus-geacht-lekkere-wijven-op-een-fiets-na-te-fluiten-fluiter.
6. Er zijn vier typen uit-innerlijke-noodzaak-fluiters: de melodieuze-de-schaamte-voorbij-zijnde-uit-innerlijke-noodzaak-fluiter, de niet-melodieuze-de-schaamte-voorbij-zijnde-uit-innerlijke-noodzaak-fluiter, de melodieuze-niet-de-schaamte-voorbij-zijnde-uit-innerlijke-noodzaak-fluiter, de niet-melodieuze-niet-de-schaamte-voorbij-zijnde-uit-innerlijke-noodzaak-fluiter.


7. Mart Wismans was een melodieuze-de-schaamte-voorbij-zijnde-uit-innerlijke-noodzaak-fluiter. Werkman bij buurman is een niet-melodieuze-de-schaamte-voorbij-zijnde-uit-innerlijke-noodzaak-fluiter. Jean-Pierre Geelen is, vermoed ik, een melodieuze-niet-de-schaamte-voorbij-zijnde-uit-innerlijke-noodzaak-fluiter, al zou hij ook een melodieuze-de-schaamte-voorbij-zijnde-uit-innerlijke-noodzaak-fluiter kunnen zijn.
8. Ik? Ik ben een niet-melodieuze-niet-de-schaamte-voorbij-zijnde-uit-innerlijke-noodzaak-fluiter. Een thuisfluiter.

Klein mysterie 717 – Objectief Nederland (4)

Wat doet die man daar in dat maïsveld?
Die man maakt precies op het middelpunt van topografische kaart 52D Helenaveen (1:25.000) in elke windrichting één foto.
Waarom maakt die man precies op het middelpunt van topografische kaart 52D Helenaveen in elke windrichting één foto?
Omdat hij voor zijn weblog Horst-sweet-Horst ruim 42 jaar later nog eens wil overdoen wat Reinjan Mulder in 1974 op dezelfde plek deed.
Maar wacht eens, heeft de man in het maïsveld dat al niet eerder gedaan?
Jazeker.
En er al eerder over geschreven op Horst-sweet-Horst?
De afgelopen maand al drie keer (klik hier, hier en hier)!
Was dat niet genoeg?
Eigenlijk wel.
Waarom dan nu nog een keer?
Omdat de man in het maïsveld het zich in eerste instantie lekker gemakkelijk had gemaakt. Té lekker gemakkelijk.
Hoezo dat?
Het exacte middelpunt van topografische kaart 52D Helenaveen bevindt zich op een akker terzijde van de Kulbergweg. Die akker is op het moment beplant met maïs. Uit angst dat een woud van maïskolven en maïsstengels de vier middelpuntfoto’s zou domineren, besloot de man in het maïsveld de foto’s twintig meter verderop te maken, op een zandweg aan de rand van de akker.
Wat heeft de man in het maïsveld doen besluiten alsnog het maïsveld in te duiken?
De man in het maïsveld proefde enig onbegrip bij Reinjan Mulder. Die mailde hem: ‘Nog niet helemaal duidelijk is overigens waarom u niet in een akker wilde gaan staan. Dat is toch niet het moeilijkste?’
En toen?
En toen kwam de man in het maïsveld tot het inzicht dat Reinjan gelijk had. Het was inderdaad niet het moeilijkste in de akker te gaan staan. Essentiëler nog was dat niet in de akker gaan staan, niet op het exacte middelpunt van kaart 52D Helenaveen gaan staan, een flagrante schending van de objectiviteit was.
Is dat zo erg dan?
Ja, dat is bij nader inzien heel erg. Die objectiviteit – het niet anders maken dan het is – daar was het Reinjan nu juist om te doen. Die objectiviteit bracht hem in een huiskamer in Velp, op het IJsselmeer bij Enkhuizen, in een dennenbos bij Woudenberg, op de Waddenzee bij Delfzijl.
Die objectiviteit deed de man in het maïsveld ook alsnog het maïsveld induiken?
Zo is het.
En het resultaat? Inderdaad uitsluitend maïskolven en maïsstengels?
Dat valt warempel nogal mee, waarschijnlijk mede dankzij de zondvloed van juni in deze gewesten, waardoor maïs minder tot ontwikkeling lijkt te zijn gekomen dan in andere jaren. Oordeel zelf maar. Gefotografeerd op het exacte middelpunt van topografische kaart 52D Helenaveen, op woensdag 7 september 2016, op 1,72 meter boven maaiveldhoogte, achtereenvolgens in oostelijke (13.18.44 uur), zuidelijke (13.18.54 uur), westelijke (13.19.04 uur) en noordelijke (13.09.14 uur) richting:



Helemaal objectief!
Dat zou de man in het maïsveld dan weer net niet durven te beweren. Zullen we het houden op ‘een streven naar objectiviteit’?

zondag 11 september 2016

Klein mysterie 716 – Optiefen? Kopje thee drinken? De lange lat?

Niet de minsten lieten zich de afgelopen dagen uit over intimiderende jongeren in de wijk Poelenburg in Zaandam. Geert Wilders twitterde:
‘Niet de politie maar het tuig moet “wegwezen en oprotten” uit NL! Ons land wordt gekoloniseerd, geterroriseerd. Knikker ze het land uit. En laat Nederland weer Nederland worden. Waar blijft de missie in Poelenburg en alle andere wijken in Nederland waar het tuig de baas is?! En nu optiefen!’
Mark Rutte had het over ‘tuig van de richel’. Ook onze eigenste Anthony van Baal, fractievoorzitter van de SP in de gemeenteraad van Horst aan de Maas ventileerde – op Facebook – zijn mening (klik hier):
‘Herkenbaar in zoveel dorpen en steden in NL. Onvoorstelbaar wat moet je met zoveel sukkels die de maatschappij klouwen vol geld kosten (alleen al aan politie inzet) en waar een ieder zich aan ergert. Het gaat er niet om of er wel of niet een accommodatie komt. Deze jongeren blijven vervelend. En het allergrootste probleem is dat ze te dom zijn, te weinig hersencellen hebben, om te snappen wat ze zichzelf maar vooral ook een ander aan doen.’
Vrij voorspelbaar, die reacties van Geert Wilders en Mark Rutte (waardigheid schijnt tegenwoordig geen vereiste meer te zijn voor het premierschap). Stoere taal, tot veel meer zijn ze eenvoudigweg niet in staat. Van Anthony van Baal had ik meer reflectie verwacht. Ik begrijp zijn frustratie, begrijp misschien zelfs nog wel dat hij het nodig vindt die in het openbaar te uiten, maar wat ik mis is ook maar het begin van een analyse en een aanwijzing – hoe klein ook – hoe hij denkt dat deze onwenselijke situatie valt te veranderen. Natuurlijk, ik weet ook wel dat Anthony niet zomaar eventjes een pasklare oplossing voor dit lastige maatschappelijke probleem uit z’n hoge hoed tovert. Kan niet, hoeft niet, verwacht ik ook niet. Maar als de fractievoorzitter van de SP in de Horster gemeenteraad zich dan toch geroepen voelt er iets over te zeggen, dan mag het in mijn ogen niet beperkt blijven tot een jammerklacht. Zeker omdat Anthony de betreffende jongeren blijkbaar kent en wéét dat ze dom zijn en over weinig hersencellen beschikken (op grond van de berichtgeving van de afgelopen dagen heb ik zelf een heel andere indruk).
Dat Anthony het met Mark Rutte eens is dat het in Poelenburg gaat om tuig van de richel, lijkt me zonneklaar. Maar vindt hij ook dat dat tuig moet optiefen? Of ziet hij meer in een kopje thee drinken? De jongerenwerker en de buurthuizen van weleer in ere herstellen? Opvoedingskampen? Sociale dienstplicht? Beter of meer onderwijs? De lange lat?

dinsdag 6 september 2016

Klein mysterie 715 – Objectief Nederland (3)

Waar precies in het grensgebied tussen America en Kronenberg maakte Reinjan Mulder op 9 mei 1974 vier foto’s? Als vanzelf kwam die vraag bij me op na het lezen en bekijken van Objectief Nederland, het dit voorjaar verschenen, prachtige boek waarin het Nederland van 1974 in beeld is gebracht. En wel objectief, wat in dit geval wil zeggen dat het middelpunt van 52 topografische kaarten leidend was, en niet de subjectieve kijk van de fotograaf (Reinjan Mulder). Ik schreef er drie weken geleden twee stukjes over (klik hier en hier).
Reinjan Mulder maakte op het middelpunt van kaart 52D Helenaveen vier foto’s, één in elke windrichting. Ruim 42 jaar later wilde ik die handeling herhalen. Maar was het middelpunt van zijn kaart 52D Helenaveen wel hetzelfde als dat van mijn uit 2004 daterende kaart 52D Helenaveen? En zo ja, waarom betitelde hij dat middelpunt dan als ‘Horst’, terwijl het in 1974 (nog juist) in de toenmalige gemeente Sevenum lag? En waarom was vuilstortplaats Zuringspeel dan niet te zien op de in noordelijke richting genomen foto? En waarom schreef NRC Handelsblad op 10 augustus dan dat er op de plaats waar Mulder zijn foto’s had genomen inmiddels ‘sportfaciliteiten’ waren gekomen?
Vragen, vragen, vragen. Dankzij de medewerking van het Rijksmuseum én van Reinjan Mulder zelf – waarvoor mijn grote dank – is er nu meer duidelijkheid. Het Rijksmuseum, dat de collectie foto’s van Reinjan plus de daarbij behorende documentatie beheert, stuurde me een scan van de door Reinjan gebruikte kaart 52D Helenaveen. Wat blijkt? Het middelpunt van zijn kaart is exact hetzelfde als dat van mijn kaart: enkele tientallen meters ten noordwesten van de plaats waar de Kulbergweg een bocht van 90 graden in oostelijke richting maakt.
Maar waarom betitelde Reinjan zijn foto’s dan als ‘Horst’, terwijl de grens met de toenmalige gemeente Horst zich honderd meter noordwaarts bevond? Het is ongelooflijk, maar Reinjan toonde zich bereid tot een reactie op dit toppunt van mierenneukerigheid: ‘Ik heb geen idee meer hoe ik dat toen heb gedaan. Misschien heb ik soms een kaartnaam gebruikt en soms het dichtstbijzijnde dorp. Of een station. Of een gemeente.’
De NRC dan? Die zit er gewoon naast met de bewering dat er ‘sportfaciliteiten’ zijn gekomen op de plek waar Reinjan in 1974 zijn foto’s maakte. De ‘sportfaciliteiten’ (te weten een golfbaan) liggen enkele honderden meters verderop in noordoostelijke richting. Reactie van Reinjan: ‘Ik vond het al een wonder dat ze het hele project nagelopen leken te hebben. Dat zou toch minstens een maand moeten kosten.’ (klik op deze en de volgende afbeeldingen om ze te vergroten)
Resteert de vraag waarom vuilstortplaats Zuringspeel niet zichtbaar is op de in noordelijke richting genomen foto van Reinjan. Ik denk dat twee verklaringen mogelijk zijn. Of de vuilstortplaats is juist buiten het objectief van Reinjan gevallen, of – meer waarschijnlijk – de vuilstortplaats had in 1974 nog niet zo’n omvang dat ze op de foto goed herkenbaar is.
Allemaal goed en wel, wat is het resultaat als je anno 2016 op ongeveer dezelfde plaats waar Reinjan dat in 1974 deed, een foto neemt met de blik op respectievelijk het oosten, zuiden, westen en noorden? Dit (met dien verstande dat Reinjan een veel betere camera had dan ik én dat hij zijn foto’s maakte op een akker. Zou ik hetzelfde hebben gedaan dan waren op alle vier de foto’s slechts maïsstengels te zien geweest. Daarom ben ik enkele meters noordelijker gaan staan – alleen al daarom zijn mijn foto’s niet objectief):
(oosten:)
(zuiden:)
(westen:)
(noorden:)

P.S. Ziehier een prachtige minidocumentaire over het project van Reinjan en over de tentoonstelling in het Rijksmuseum, die loopt tot 26 september (klik op de pijl om het filmpje te starten):